Diergezondheid & biodiversiteit

Onze natuurgebieden worden begraasd om een bepaald natuurdoeltype te bereiken. Natuurontwikkeling en biodiversiteit gaan er, in tegenstelling tot de klassieke veeteelt, voor op productie of maximale rendabiliteit. Maar ook in natuurgebieden worden de grazers blootgesteld aan parasieten die een invloed kunnen hebben op de conditie en in sommige gevallen kunnen leiden tot de dood. Om verliezen te beperken of te vermijden worden geneesmiddelen (antiparasitica) gebruikt. Via de mest en de urine komen deze diergeneesmiddelen in het terrestrisch milieu terecht. Ongeacht de vele hiaten in de kennis kunnen door een gerichte strategie en aangepaste keuze en van antiparasitica de schadelijke effecten aanzienlijk worden beperkt.

Bij de aanvang van het project was onze uitgangsvisie om enkel curatief te behandelen. Inzake maagdarmwormen en longwormen kan de situatie eenvoudig en goedkoop gemonitord worden via mestonderzoek. Bovendien hoeft de aanwezigheid van een aantal parasieten zoals coccidiose (bacterie) en bijvoorbeeld lintworm niet altijd een probleem te zijn. Afhankelijk van de leeftijd van de dieren zullen deze parasieten een invloed hebben op de conditie en op de groei. Het is bovendien volkomen natuurlijk dat ze ermee in aanraking komen en hierdoor een natuurlijke weerstand opbouwen. Het doel is bijgevolg niet het uitroeien maar het beheersen. Onjuist preventief gebruik van geneesmiddelen is niet alleen belastend voor het milieu maar zou ook kunnen leiden tot resistentie.

 

Uit diverse onderzoeken blijken vooral de avermectines met in het bijzonder ivermectine een schadelijke werking te hebben op de mestfauna (groep van de Macrocyclische lactonen). Ivermectine kan maanden in de mest aanwezig blijven en behoudt gedurende deze tijd zijn insecticidenwerking. De concentraties blijken in veel gevallen hoog genoeg om negatieve effecten te veroorzaken bij de fauna die de mest koloniseert en bijdraagt aan de afbraak, in het bijzonder vliegen en mestkevers (steriele mest). Maar liefst 250 soorten geleedpotigen worden in verband gebracht met mest. Het is als het ware een mini-ecosysteem. Ook bio-accumulatie is niet uitgesloten maar werd (waarschijnlijk) nog nooit systematisch onderzocht. 
Het gebruik van insecticiden op landbouwgewassen heeft in het verleden al aangetoond dat het nefaste secundaire effecten kan hebben op hogere fauna zoals zoogdieren en vogels (DDT). Onder meer de afname van Grauwe klauwier en Kuifleeuwerik wordt in verband gebracht met het gebruik van diergeneesmiddelen en het verdwijnen van mestkevers. Ook weidevogels, vleermuizen, spitsmuizen, mollen en egels kunnen via hun voedsel in aanraking komen met de antiparasitica. Naar schatting 80% van de ingenomen middelen wordt, al dan niet in een gemetaboliseerde vorm, weer uitgescheiden in het milieu.

Ontwormingsmiddelen op basis van andere werkzame stoffen, zoals bijvoorbeeld levamisol (groep Imidazothiazolen) of mebendazol (groep Benzimidazolen) en het recentere Zolvix (Amino-acetonitrilderivaat) zouden relatief ongevaarlijk zijn voor de mestfauna. Het eventueel gebruik van combinatiepreparaten dient steeds getoetst te worden aan de situatie en aan het seizoen.

De leverbotproblematiek is van een andere orde. Een negatieve mestonderzoekuitslag is geen garantie voor de afwezigheid van leverbot in het dier. Mestonderzoek naar leverboteitjes is enkel zinvol in de late winter en het vroege voorjaar. Bloedonderzoek kan uitsluitsel geven maar dat is in een grote kudde praktisch en financieel niet haalbaar. Leverbot is een platworm, waarvan de larven na een stadium bij een tussengastheer de poelslak, opgenomen worden bij de begrazing. Volwassen leverbot bevindt zich in de galgangen van de lever. Een acute infectie kan de dood tot gevolg hebben. De beste preventie is de dieren niet in aanraking te laten komen met grachten, poelen en natte graslanden maar dat zijn vaak het type terreinen in natuurgebieden. In situaties waar een behandeling noodzakelijk is, is een doordachte keuze van het geneesmiddel doorslaggevend voor het maximaal behoud van de biodiversiteit. 

Tot slot is het van belang om hetzij de volledige kudde, hetzij groeps- of perceelsgewijs te ontwormen om herbesmetting te vermijden. Ontwormen heeft ook weinig zin als de dieren op dezelfde weide blijven. Om resistentie te voorkomen wordt aangeraden om per groep telkens een 5% van de dieren niet te behandelen. Hou er rekening mee dat aan het gebruik van geneesmiddelen ook een wachttijd verbonden is voor de consumptie (vlees en melk). Afhankelijk van het gebruikte product kan dit oplopen tot enkele maanden.

De werkzame stoffen van de diverse producten zijn te vinden op de website van het Federaal agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten.


Bronnen
:

J. Lahr. Ecologische risico’s van diergeneesmiddelengebruik, Alterra-rapport 976, 2004, Wageningen.
Lambrechts, J., Jacobs, M., Lefevre, A., Herremans, M., Struyve, T., Jacobs, I., & F. Claessens (2011). Voedselkeuze van de Ingekorven vleermuis en deinvloed van het gebruik van ontwormingsmiddelen op de ontwikkeling vancoprofiele fauna. Rapport Natuurpunt Studie 2011/18, Natuurpunt Studie, Mechelen, België.
W.L.M. Tamis. Potentiële effecten van diergeneesmiddelen op het terrestrische milieuin Nederland, CML-rapport 178, 2008, Leiden.
G. Six. Wormbestrijdingbij schapen, geiten en runderen in natuurgebieden, Studio Six, 2010, Drenthe. 
A. Calus. ADLO-nieuwsbrief – project Wormen en leverbot, jaargang 4 nr. 15, 2011, Rumbeke.